Nieuws
Publicatiedatum: 27 augustus 2021
Vakantie

Maand vakantie mag werkgever niet (zomaar) afwijzen

Even een maandje op vakantie klinkt voor veel werknemers als muziek in de oren. Een werknemer komt eind 2020 bij de werkgever met een vakantieaanvraag van 4,5 week en geeft hem drie mogelijke periodes voor zijn verlof. Een maand later wijst de werkgever het verzoek af, vanwege de slechte financiële situatie door de coronacrisis.

Alternatief

De werkgever biedt alle werknemers een alternatief voor een vakantie van maximaal drie weken in gezette periodes, maar daar gaat de werknemer niet mee akkoord. De rest van het personeel ziet liever geen voorkeursbehandeling van één enkele werknemer voor een afwijkende vakantieperiode- en duur en de werkgever benadrukt dan ook dat hij voor de werknemer geen uitzondering kan maken. Daar is de werknemer het niet mee eens en stapt naar de rechter.

Uitspraak

De rechter geeft de werknemer uiteindelijk gelijk, aldus de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland op 30 juni. Volgens de rechter kan de werkgever niet goed onderbouwen welke financiële gevolgen er precies zijn als de werknemer langer op vakantie gaat en welke bezettingsproblemen er ontstaan als dit in bepaalde periodes gebeurt. Ook heeft de werkgever nooit de noodzaak echt goed onderbouwd waarom een vakantieperiode maximaal drie weken duurt. De werknemer krijgt zijn vakantie van 4,5 week toegewezen en de werkgever moet zo snel mogelijk hiervoor een van de door de werknemer voorgestelde periodes uitkiezen.

Uitgelicht
Uitgelicht